John Engels (83), jazzdrummer, is een levend instrument. Oud of jong lijken begrippen die op hem niet van toepassing zijn. Hij leeft voor en van muziek en muziek is leeftijdsloos.

Posters, cd’s, dvd’s, beeldjes, portretfoto’s en allerlei instrumenten: de binnenkant van Engels’ huis is rommelig en knus. Verwelkomd door zijn vriendin Liz lopen fotograaf Katja en ik door het halletje naar de woonkamer. Daar zit John Engels. ‘Waar wil je het ook alweer over hebben?’, vraagt hij, na handen te hebben geschud. Het antwoord komt neer op: hoe blijf je in vorm als je op hoog niveau drumt op hoge leeftijd? Het verhaal verschijnt binnenkort in V, de cultuurbijlage van De Volkskrant.

‘Ik ben niet makkelijk te interviewen hoor’, zegt Engels eerlijk. We zitten met koffie en suikerbrood (uit Friesland, daar was hij het afgelopen weekend!) op de bank. ‘Ik spring van de hak op de tak. Ik zeg wat in me opkomt.’

Vroeger

John vraagt of de muziek uit moet. De hele dag draait hij LP’s of cd’s, wanneer hij zelf geen muziek maakt. Hij houdt van jazz, blues en ook wel klassiek. Zo nu en dan droomt hij weg op de muziek, want met een half oor luistert hij mee. Hij onderbreekt het interview zelfs even om te luisteren waar we in het nummer zijn aanbeland.

In de loop van ons gesprek vertelt hij veel over vroeger. De grote concerten en de artiesten die voor hem belangrijk waren, maar ook wat hem aan het musiceren houdt. Hij vertelt niet zo makkelijk over concrete zaken, zoals alcoholgebruik van toen en nu en lichamelijke achteruitgang. Het gesprek valt steeds terug op muziek en de bijbehorende artiesten. Wanneer we het even over zijn toekomst hebben en wanneer hij denkt te stoppen, vraagt hij of we het niet over iets anders kunnen hebben.

Oefenkelder

We praten ruim een half uur en dan maakt Katja de foto’s. Het is al snel duidelijk: John Engels wil het liefst gewoon spelen. Hij vraagt of ik zijn kelder wil zien, waar hij uren doorbrengt om te musiceren. Dan gaat hij me voor naar beneden. Eenmaal daar gaat hij achter zijn drumstel zitten. ‘Je speelt gitaar toch? Jammer dat je hem niet hebt meegenomen, dan hadden we kunnen spelen.’ Ondanks dat ik me nog niet kan meten aan een willekeurige gitarist die wél optreedt, zou dat ontzettend mooi zijn geweest. Ik ken John Engels niet zo goed als artiest, maar ik heb aan zijn cv genoeg om te concluderen wat voor artiest er tegenover me zit.

John Engels op de drums bij Chet Baker, 1987.

 

Engels improviseert een beetje op de trommels, met kwastjes aan zijn drumstokken. Zó natuurlijk en moeiteloos dat hij net zo goed een potje had kunnen zitten ademen. ‘Stel maar gewoon vragen terwijl ik speel’, zegt hij. Boven maakte ik een potje van ons gesprek, hier beneden weten we elkaar wat beter te vinden, tussen het drummen door.

Telepathie

‘Hoe zit dat nou John, met die teleportatie ofzo, wat bedoel je daarmee?’, vraag ik. John pauzeert. ‘Telepathie!’. Hij veert op en legt uit hoe muzikanten elkaar op een onverklaarbare manier perfect kunnen aanvoelen op het podium. ‘Een muzikant vroeg wel eens aan me: hoe kan het dat we dat precies op hetzelfde moment spelen? Dan zitten we in elkaars energie. We zitten op dezelfde golflengte’, verklaart de slagwerker gebarend.

Dan is het alweer voorbij, na 1,5 uur in totaal. Een tweede koffie sla ik af, want ik moet terug naar de redactie. Wanneer ik eenmaal buiten sta moeten we het nog hebben over ‘de blues’, de rijkdom van het genre. Als ik dan echt wegga zegt John tussen neus en lippen: ‘dan kan ik nu eindelijk roken. Ik rook niet over de longen hoor!’. Met een grijns verdwijnt hij de gang in. Een concreet antwoord over zijn lifestyle, eindelijk.

 

Zie ook: Jazzheld, over mijn interview met Paul van Kemenade, jazz-saxofonist.  

Delen: